<Agenda   Recensie   Zoeken   Links
Recensie

 

Het gedicht heeft je geraakt. Meningen en gedachten over gedichten en dichters.

PETRA ELSE JEKEL
Zo er al iets bestaat als zintuiglijkheid en lichamelijkheid in de poezie, dan vinden we die wel in de gedichten van Petra Else Jekel. 'Een zoete zwemgeur;' 'ik raak zo aan je geur gewend;' 'zijn hand garandeert contour;' 'gezicht;' 'voetzolen.' Opvallend aanwezig is de rug, die in de drie gedichten hier op het poezieweb, steeds terugkeert: 'zijn voelen behelst mijn rug,' 'iets/ elektrisch in mijn rug stokt halverwege,' 'jij/ opgekruld ontvouwt mijn huid/ van nagels, eelt en ruggengraat.' Vermeldenswaard hierbij is dat Jekel in het seizoen 2000-2001 huisdichter van de RUG (Rijksuniversiteit Groningen) was en één van de zogenaamde 'rugdichters.'
Haar gedichten zijn fascinerend en roepen mooie beelden op, die soms glashelder en teder zijn. Een schitterend voorbeeld hiervan is - in een van de mooiste regels in de hedendaagse poezie: 'je rolt in de oksels van het/ eindeloze grasland een deken/ voor twee bedden uit.' Andere keren is Jekel in haar gedichten hard en meedogenloos: 'hij heeft mijn nek gebroken voor hij boog,' of, zoals in het prachtige gedicht 'extra vis,' de al eerder genoemde regel 'iets/ elektrisch in mijn rug stokt halverwege.' Dat 'iets elektrisch in mijn rug' zou in eerste instantie ook een aangename tinteling kunnen zijn, zeker als we het direct eraan voorafgaande zinnetje erbij betrekken: 'de knopjes bloeien.'
…de zoete zwemgeur zit al in mijn neus
 
als ik met extra vis door straten ga
blijft elke tweede noot aan 't steen
van elke straathoek hangen
 
steeds trager echo ik, zakken
de noten tot ik op de bodem
lig, de knopjes bloeien, iets
 
elektrisch in mijn rug stokt halverwege
 
Het is dit 'stokt halverwege' dat de aangename tinteling plotseling in kortsluiting verandert. Zo'n zelfde soort kortsluiting zit in 'fijne zilverwitte treurwilgknopjes.' Fijne zilverwitte knopjes roepen bij eerste lezing een gevoel van feestelijkheid op, van twinkelingen. Maar dan, haast heimelijk verscholen in de regel, vind je het woord 'treurwilg.' Dit soort kortsluitingen in de gedichten zetten je steeds even op het verkeerde been. "De zoete zwemgeur zit al in mijn neus,' wordt even later gevolgd door '…tot ik op de bodem lig.' Dit steeds op het verkeerde been gezet worden leidt overigens niet tot omvallen. Daar staat het frisse en spannende taalgebruik van Jekel wel garant  voor. Het dwingt je verder te lopen. En misschien is het dat wel: niet het verkeerde been, maar om en om het andere.
Adrie Krijgsman 2001 

Berendy Gahler

Er zijn dichters die dichten vanuit hun taalgevoel. Zij spelen met woorden op de grens van illusie en werkelijkheid. Er zijn ook dichters die vertrekken vanuit de persoonlijke ervaring waarbij de taal fungeert als transportmiddel van emoties. Het gaat hen minder om virtuositeit of complexiteit van de symboliek, maar meer om de directe uitdrukking van zintuiglijkheid.

Berendy Gähler schijnt ons een dichteres die taal gebruikt als vervoer, zoals een coureur zijn wagen, een wielrenner zijn fiets. Zorgvuldig een versnelling kiezend voor het bochtwerk, dan voluit op het rechte stuk en tijdig een wiel verwisselend bij de pitstop.

“…….Ach ja

Wie zal nu nog zeggen

Dat jij mij meester maakte,

Jij bent je grillige lippen

Gewillige handen

Die mij ontkleedde

Om mij bloot te stellen

Aan jou …………”



Hier geeft de dichteres zich letterlijk bloot, zij windt er geen doekjes om dat zij zichzelf wil laten kennen. Geen omslachtig gedoe met verhullende zinswendingen of afleidende metaphoren. Nee, hier ben ik en dit is mijn ervaring op dat moment. Zo schetst Gähler een werkelijkheid die zich onwillig en weerbarstig opstelt en zijn eigen eisen stelt. Haar taalwagen hapert dan soms, ze weet dat er een betere formule mogelijk is, maar moet rijden met de wielen die haar gegeven zijn.

De gedichten van Berendy Gähler wekken de indruk dat de auteur zelfbewust een taaltekort registreert. De werkelijkheid is van een andere wisselvalliger orde, maar toch blijft ook de dichteres hiertegenover haar verlangen stellen naar begrip en betekenis. Dit verlangen naar een inzichtelijke relatie met de wereld mag naief klinken, toch vinden wij de levenslust die in de gedichten doorklinkt van evengrote waarde als bijvoorbeeld de flegmatieke distantie die andere en oudere dichters ten toon spreiden. Bovendien staat de dichteres in haar fysica nog maar aan het begin:


“….je donkere ogen

Die hoog boven het lot drijven

Dat ik hier enkel beneden kan wachten

Naar boven kijken en beschrijven….”


 

de redactie